
Al maanden ben ik aan het onderhandelen over foto’s van Leibovitz, een bekende Amerikaanse fotografe. De dame in kwestie heeft onlangs een nieuw boek uitgebracht. Mooi werk, moet ik toegeven. Lekker intimistisch, daar hou ik wel van. Maar de energie dat de reeks me vraagt is buiten proportie.
Haar agent is namelijk een haai. Kunst en informatie staat niet op haar todo-lijstje. Alleen geld lijkt belangrijk. Contactpress noemt het agentschap en is gesitueerd in Parijs. Zou het daarom zoveel allures hebben? Eerst zouden de foto’s verschijnen in ons magazine, samen met een interview uit The Guardian. Na veel over en weer gemail weigerde het agentschap de foto’s vrij te geven. De tekst was niet voldoende flatterend. Mijn haar gaat al rechtstaan bij dergelijke argumenten. Publieke figuren (en andere ook liefst) moeten over een bepaald niveau van zelfrelativering (en humor) beschikken, lijkt mij. Wie overgevoelig is voor kritiek, blijft beter thuis. Maar mijn mening is natuurlijk irrelevant. Wie willen haar, en niet omgekeerd.
Persoonlijk zou ik het onderwerp toen reeds afgedankt hebben. En dat deed het magazine ook. Maar de Letteren rakelde het opnieuw op. Dus begon ik opnieuw, met mailen en bellen en onderhandelen. De toon werd steeds koeler aan beide kanten. 2000 euro vragen ze, voor 3 foto’s. En of we het (nieuwe) stuk niet snel even konden laten vertalen in het Frans, want ze moeten het toch kunnen lezen. Ik kreeg duidelijk het gevoel dat het hen absoluut niet zou storen, moesten we het geheel niet publiceren. ‘Ces petits Belges’ zullen (commercieel) het verschil niet maken zeker? Mijn collega Wouter kwam met een schitterend alternatief voor de boeg. In plaats van de foto’s konden we toch ook gewoon het boek brengen, lees fotograferen. Dat mag en is bovendien gratis. Schitterend idee. Jammer dat ik er zelf niet aan gedacht heb. De gewone lezer ziet waarschijnlijk niet eens het verschil. En zo krijgt contactpress helemaal niets. Eigen schuld, dikke bult.